ziektebeelden

 

Door op het onderwerp te klikken krijgt u een samenvatting.

Wat is een whiplash

Wat is een whiplash
De term whiplash heeft aanleiding gegeven tot vele omschrijvingen die in vergelijking erg van elkaar verschillen.
Omdat er zoveel verschillende definities bestaan heeft de Quebec Task Force on Whiplash-Associated Disorders (QTF-WAD) één universele definitie voorgesteld:

"Whiplash is an acceleration-deceleration mechanism of energy transfer to the neck. It may result from rear-end or side-impact motor-vehicle collisions, but can also occur during diving or other mishaps. The impact may result in bony or soft-tissue injuries (whiplash injury), which in turn may lead to a variety of clinical manifestations (whiplash-associated disorders)." (Quebec Task Force on Whiplash - Associated Disorders (QTF-WAD), Spitzer et al, 1995)

Oorzaken voor het ontstaan van een whiplashwhiplashtrans
De belangrijkste oorzaak van het whiplashtrauma is de kop-staartbotsing, waarbij het hoofd, dat meestal toch wel 5 kilo weegt, met grote snelheid heen en weer zwiept. Het whiplashtrauma geldt als een typische aandoening van de twintigste eeuw, omdat het stijgende aantal patiënten voornamelijk een gevolg is van het snelgroeiende gemotoriseerde verkeer. Als je de kopstaartbotsing nader bekijkt gebeurt er het volgende: Er staat een auto te wachten voor het stoplicht. En de bestuurder van de achter op komende auto let even niet op en knalt met grote snelheid achter op de wachtende auto. Als je nu neemt dat de rijdende auto 50 km/u rijd, veroorzaakt dit bij de stilstaande auto een achterwaartse versnelling van het hoofd van 250 km/u. De spieren krijgen niet de kans om zich voor te bereiden op de klap en daardoor slingert het hoofd naar achteren en trekt aan de wervels. Daarna komt er een versnelling naar voren, waarna opnieuw de nekwervels verschuiven met de daaromheen liggende banden. Dit alles geeft het whiplashtrauma.

Mogelijke andere oorzaken zijn bijvoorbeeld een val van de keukentrap, een contactsport waarbij het er nogal ruig aan toe gaat of een sport waarbij de kans op botsingen groot is, zoals bij American football. Omdat het whiplashtrauma vaak in verband wordt gebracht met een kop-staartbotsing, wordt de diagnose vaak veel minder snel of niet gesteld bij patiënten met een ander ongeluk. Wat er op dat moment precies wordt beschadigd is nog steeds niet goed aangetoond. Wel zijn er verschillende theorieën over.

 

De meest aannemelijke hiervan is dat er (net als bij een sportblessure) gewrichtsbanden overrekt worden en/ of spiervezels worden beschadigd. De meeste afwijkingen zijn moeilijk zichtbaar te maken met de huidige medische technieken als röntgenfotografie, CT-scan, EEG en MRI waardor sommige geneigd zijn de klachten als psychisch te zien. Toch twijfelen de medische experts er niet aan dat het sterk psychisch getinte whiplashsyndroom een lichamelijke oorzaak heeft.

CANS (Complaints of Arm, Neck and/or Schoulder)

CANS (Complaints of Arm, Neck and/or Schoulder) of RSI is een onderkende aandoening die ontstaat bij het uitvoeren van statische en repeterende handelingen.Voorbeelden hiervan zijn verkeerd computergebruik, veel repeterend werk (pipetteren) of werken in een statische houding (beeldschermwerk of microscopiseren). Goed meubilair (en een persoonlijke instelling daarvan) kan belangrijk zijn bij het voorkomen van CANS.

De laatste jaren is het fenomeen RSI steeds meer op de voorgrond getreden in onze samenleving. Dit heeft als oorzaak dat het ziektebeeld steeds meer voorkomt. Een van de grootste oorzaken hiervoor is het toenemend gebruik van de computer. In Nederland zijn er onderhand 2,6 miljoen mensen die in het dagelijks leven veelvuldig gebruik maken van de computer. Dit is 40% van de beroepsbevolking. Daarnaast zijn er nog een miljoen mensen die geregeld gebruikmaken van de computer. De verwachting is dat deze aantallen in de komende jaren nog behoorlijk zullen groeien.

Wat is RSI
RSI:"Door het verrichten van kort cyclisch werk worden dezelfde spieren, banden en pezen voortdurend eenzijdig belast; dit kan op den duur leiden tot klachten aan nek, schouder, arm en hand." (Zakwoordenboek der geneeskunde, Coëlho, Elzevier, 1997) RSI is een overkoepelende naam voor een aantal specifieke pees-, zenuw- en spiergerelateerde aandoeningen van de nek en de arm. Een van de meest bekende voorbeelden is de muisarm. RSI is niet zo´n nieuwe aandoening als vaak wordt gedacht. Zo schreef een Italiaanse arts 300 jaar geleden over de schrijversziekte die hij constateerde bij veel notarissen en kantoorklerken. Hij beschreef dat deze mensen ontstekingen hadden aan pezen in de armen die veroorzaakt werden door het vele schrijven.

Rugklachten specifiek a-specifiek

Rugklachten specifiek a-specifieklage rugAspecifieke lage-rugpijn staat voor lage-rugpijn zonder aanwijsbare specifieke lichamelijke oorzaak, zoals compressie van een zenuwwortel (radiculair syndroom), een trauma, een ontsteking of een tumor. Dit is het geval bij circa 90% van alle patiënten met lage-rugpijn.
Bij deze patiënten staat de pijn in onderste gedeelte van de rug op de voorgrond. Ook kan uitstraling in de gluteale regio en/of het bovenbeen optreden.

De duur van een lage-rugpijnepisode wordt ingedeeld in: acuut (0-6 weken), subacuut (7-12 weken) en chronisch (>12 weken). Lage-rugpijn is recidiverend (terugkomend) als er binnen een jaar meer dan twee rugpijnepisodes zijn opgetreden én de totale duur van de rugpijn korter dan zes maanden is.

Beloop
Het natuurlijke beloop van lage-rugpijn is meestal gunstig: bij 80-90% van de mensen met lage-rugpijn verdwijnen de klachten spontaan binnen vier tot zes weken. Van de mensen die met lage-rugklachten bij de huisarts komen is 65% na twaalf weken klachtenvrij.
Lage-rugpijn is vaak recidiverend (het terug komen van de klachten).

Specifieke rugklachten
Specifieke rugklachten worden gedefinieerd als rugklachten waarbij sprake is van een specifiek pathofysiologisch mechanisme. Voorbeelden daarvan zijn een hernia nuclei pulposi (HNP), een infectie, een ontsteking, osteoporose, een fractuur of een tumor.

Verschijnselen
A-specifiek

De pijn kan verergeren door bepaalde houdingen, bewegingen en belasting (zoals tillen)
Er kan sprake zijn van ochtendstijfheid.
Er zijn geen algemene ziekteverschijnselen zoals koorts of gewichtsverlies.
De pijn kan continu aanwezig zijn of in episodes verlopen.
De eerste episode begint meestal wanneer personen tussen de 20 en 55 jaar zijn.
Pijn kan uitstralen naar beneden, richting het been of de bil.
Pijn kan verder uitstralen naar boven, richting de schouderbladen.
Als de klachten lang vol houden, kunnen er andere klachten komen in andere structuren/delen van het lichaam. Dit verschijnsel wordt ook wel compensatiepijnklachten genoemd.
instabiliteitsklachten

Achillespees klachten

De achillespees is de sterkste pees van het lichaam en een samengestelde pees van drie kuitspieren (m. Gastrocnemius, m. Plantaris en de m. Soleus, samen ook wel de triceps surae), Deze hechten samen aan op het hielbot (calcaneus), (Afb.1). De m. Gastrocnemius en m. Plantaris lopen vanaf het hielbeen naar de binnen en buitenkant van de knie. De m. Soleus loopt vanaf het hielbeen naar de knieholte.De kuitspieren zijn o.a. actief bij het staan op de tenen en tijdens het rennen.Tijdens het sporten kan de achillespees overbelast raken. Hierdoor kunnen verschillende klachten rond de achillespees ontstaan. Dit zijn:

een ontsteking van de koker die om de achillespees heen loopt (tendovaginitis).achillespeesontsteking van de achillespees zelf. Dit wordt ook wel een tendinose genoemd.
Ook kan er een ontsteking van de slijmbeurs rond de achillespees ontstaan dit wordt ook wel een bursitis genoemd.
Een hielspoor ook wel een fascitis plantaris genoemd. Dit is een ontsteking van het peesblad onder de voet. De pijn wordt veroorzaakt door een niet-bacteriële ontsteking aan het peesblad. Hierdoor wordt er een benige uitwas ten opzichte van het hielbeen gevormd. Veelal is dit het gevolg van overbelasting.
Als de krachten echter groot zijn kan er een ruptuur (afscheuring) van de achillespees ontstaan. Een achillespeesruptuur treedt meestal acuut op bij het beoefenen van een sport. Er treedt een plotselinge pijn op ter hoogte van de achterzijde van het onderbeen na een explosieve beweging.

De spierverrekking wordt onderverdeeld in drie gradaties van ernst:
graad I: milde verrekking ( = microruptuur)
graad II: matige verrekking: ( = partiële ruptuur)
graad III: ernstige verrekking ( = totaal ruptuur).

Symptomen
Een ontstekingsreactie van de peeskoker rond de Achillespees is een typische overbelastingsblessure en gaat vaak gepaard met een zacht kraken tijdens beweging. Het geluid is alsof je over licht bevroren sneeuw loopt. Bij chronische ontstekingen ontstaan er verklevingen tussen de peeskoker en de pees met onregelmatige verdikkingen van de peeskoker.
Bij een ontsteking van de achillespees hangen de symptomen af van het stadium waarin de ontsteking zich bevind. In het beginstadium zijn de ontstekingsverschijnselen zoals: zwelling, roodheid, warmte en pijn aanwezig. De pijn is dan vooral na de belasting aanwezig. In een later stadium is de pijn steeds meer aanwezig tijdens het belasten en is uiteindelijk ook aanwezig in rust.
Slijmbeursontstekingen kunnen voorkomen op twee verschillende plaatsen rond achillespees. Er zit een slijmbeurs tussen de Achillespees en het onderbeen en er zit een oppervlakkige slijmbeurs achter op de hiel. De klachten bestaan uit een lokale drukpijn aan de achterkant van de hiel. Het dragen van schoen kan dan erg vervelend zijn. Meestal is het voordurende meganische contact tussen hak en schoen ook de oorzaak van de bursitis op de hak.
De klachten bij een hielspoor bestaan uit een goed te lokaliseren vlijmscherpe pijn, met name tijdens het lopen wanneer de hiel wordt neergezet. Er komt op dat moment extra druk plaats op de hiel wat vervolgens de vlijmscherpe pijn geeft.
Bij een achillespeesruptuur worden vaak de volgende sympomen zichtbaar. Tijdens het sporten ontstaat een acute heftige pijn ter hoogte van de achillespees waarbij de patiënt meestal een knap hoort en/of voelt. Verder lopen is onmogelijk.Direct na het letsel is een gat tevoelen in het verloop van de pees, na enkele uren is dit nog moeizaam te voelen door de forse zwelling die dan volgt. De eerste dagen na het ontstaan van het letsel houd deze forse zwelling en een bloeduitstorting aan.

Diagnostiek
De klacht wordt aangetoond door de verschillende symptomen die bij een bepaalde achillespeesklacht horen. Voor deze indeling kijk onder symptomen.

Risicofactoren / Oorzaken
We onderscheiden factoren vanuit het lichaam zelf (interne) en factoren van buiten het lichaam (externe) die de klachten kunnen veroorzaken. Interne factoren:

Afnemende doorbloeding van de pees.
Dit is een “normaal” verschijnsel bij het toenemen van de leeftijd. De meeste klachten komen dan ook voor tussen de 35 en 45 jarige leeftijd, meer bij mannen dan bij vrouwen
Vermindering van de spierkracht en lenigheid van de kuitspieren
Overgewicht, bij een hoger lichaamsgewicht zijn de krachten die opde achillespees werken uiteraard hoger.
Standafwijkingen van de voet, zoals hol- en knikvoet, waardoor een versterkte naar binnen gedraaide positie van de voet ontstaat tijdens het afwikkelen
Beenlengteverschil en scheefstand van het bekken
Een uitsteeksel aan het bovenste/buitenste gedeelte van het hielbeen. Dit wordt een Haglundse deformiteit genoemd.

Externe factoren:

Plotselinge verandering van trainingsintensiteit
Slechte looptechniek
Wisselen van ondergrond (droog, hard, nat, glibberig)
Slecht schoeisel (versleten, te weinig schokdemping, slechte hielkap)
Sterke afkoeling, natte schoenen/sokken
Mate van belasting (veel springen, keren, wenden)

Epidemiologie
Over het algemeen komen de klachten rondom de achillespees vaker voor bij mannen dan bij vrouwen tussen de 30 en 45 jaar. Dit geldt voor alle klachten met betrekking tot de achillespees. Meestal komen achillespeesklachten vaker voor bij sporten, De prevalentie ligt hoger bij sporten met een grote loop- dan wel sprongcomponent. Zeven tot negen procent van de professionele sporters met deze sport - belasting krijgt met een achillestendinopathie te maken en bij zes tot 18 procent van alle blessures bij hardlopers is de achillespees betrokken.

Preventie en wat kunt u zelf aan de aandoening doen
Zorg voor een goede warming-up.
Wanneer de kuitspieren goed ontwikkeld zijn, dan neemt de kans op klachten van de achillespees af. Het is dus ook aan te raden spierversterkende oefeningen te doen voor de kuitspieren/achillespees.
Door de kuit te masseren kunnen de kuitspieren ontspannen en wordt de spanning op de achillespees verminderd. Daarnaast neemt de doorbloeding van de weefsels toe, waardoor de kans op spierkramp vermindert en het herstel bevorderd word.
Rekkingsoefeningen van de diepe en oppervlakkige kuitspieren verminderen de spanning op de achillespees.
Tegen het afkoelen van de pees kunnen warme, hoge sokken gedragen worden.
Zorg voor de juiste sportschoenen! Het in aan te bevelen advies te vragen van een deskundige bij de aanschaf van nieuwe sportschoenen.
Zorg voor een rustige opbouw in de training, zodat het lichaam rustig kan wennen aan de extra belasting.
Zorg voor een goede afbouw van de training (cooling-down).

Behandeling
Alleen voor een achillespeesruptuur (graad 3) worden interventie methodes overwogen. Er zijn twee interventie methodes:

De operatieve behandeling, waarbij de peesuiteinden tegen elkaar aangelegd en gehecht worden. Dat hechten kan op verschillende manieren. Hierna volgt een periode van drie weken ingipsen van het onderbeen. Hierna kan er voorzichtig worden gestart met het opbouwend belasten middels loopgips. Na 8 weken is geen gips of hak verhoging meer nodig. Gemiddeld duurt het herstel ongeveer 25 weken voor de pees weer geheel kan worden belast, ook sport specifiek. Geen enkele ingreep is zonder risico's. Zo is ook bij deze operatie de normale kans op complicaties van een operatie aanwezig, zoals nabloeding, infectie,
De niet-operatieve behandeling(conservatief), waarbij de voet in strekstand (spitsstand) gehouden wordt met behulp van een gipsspalk of tape. De spitsstand van de voet zorgt ervoor dat de gebroken peesuiteinden tegen elkaar komen te liggen en er bij de genezing geen groot defect overbrugd hoeft te worden.

Welke behandeling wordt gekozen hangt van veel factoren af, bijvoorbeeld de leeftijd, gezondheid, (sport)activiteit en voorkeur van de patiënt of behandelaar. Het verloop van het herstel van de klachten rond de Achillespees is goed. De meeste patiënten zijn langere tijd klachtenvrij. Slechts bij heftige pijnklachten en beperkingen is een eventuele operatie zinvol en bij 75%-80% is dit succesvol.

Taak/toegevoegde waarde fysiotherapeutische behandeling
De behandelingen bij een achillespeesontsteking, een ontsteking van de koker om de achillespees of slijmbeursontsteking komen met elkaar overeen.Bij aanwezigheid van ontstekingsverschijnselen zoals zwelling en roodheid en bij licht kraken van het omgevende weefsel van de achillespees kan gebruik gemaakt worden van ijsmassage. Dit kan door de pijnlijke plek te masseren met een smeltend ijsblokje. Er kan ook gebruik gemaakt worden van een coldpack. Zorg er wel voor dat je bijvoorbeeld een theedoek ertussen legt om bevriezing van de huid en onderliggend weefsel te voorkomen. Het koelen kan een aantal keer per dag gedurende 10 tot 15 minuten worden uitgevoerd.Omdat de voet minder belast word is het belangrijk de bewegelijkheid (mobiliteit) van de gewrichten optimaal te houden door de voet blijven te bewegen binnen de pijngrens.Verder kan er een bandage worden aangelegd om de achillespees zoveel mogelijk te ontlasten tijdens het lopen en er kan een hakverhoging worden aangelegd in de schoenzool. Met deze verhoging wordt de achillespees en kuitspier zoveel mogelijk ontlast tijdens het lopen. Als de klachten ontstaan door een beenlengteverschil of standafwijking van de voet kan een schoenaanpassing of aangepast inlegzooltje van toepassing zijn. De oefentherapie bestaat uit:

Rekkingsoefeningen; hierbij staat het rekken van de kuitspieren tot de pijngrens centraal.
Spierversterkende oefeningen; van voetboogspieren en kuitspieren, aanvankelijk onbelast, geleidelijk opvoeren tot kuitenwip (met de voorvoet op een traptrede staande intensief op en neer bewegen). Er kunnen eventueel ook excentrische oefeningen worden gedaan, maar toepassing daarvan vergt goede instructie en begeleiding.
Coördinatieoefeningen; in de eerste instantie algemeen, op één been staan op een vlakke ondergrond vervolgens op een wiebelplank. Hierna worden sportspecifieke oefeningen gedaan, zoals bijvoorbeeld het maken van uitvalspassen, om uiteindelijk de sportactiviteit te kunnen hervatten.

Behandeling van een Hielspoor
De behandeling van een hielspoor ziet er iets anders uit dan bij de andere achillespeesklachten.Om de pijn te dempen kan ook gebruik gemaakt worden van de ijsmassage. Dit wordt dan ook op de pijnlijke plek uitgevoerd, u kunt dit ook zelf doen wanneer u klachten krijgt. Vervolgens worden de factoren aangepakt die de hielspoor veroorzaakt hebben. Beenlengteverschil of het verkeerd afwikkelen van de voet kan gecorrigeerd worden middels een inlegzool, een stevigere schoen, evt. wigjes in de schoenen, enz. Dit geeft vaak al voldoende verlichting waardoor de sportactiviteit weer hervat kan worden. Er mag dan alleen getraind worden binnen de pijngrens!

Nabehandeling van achillespeesruptuur
Voor zowel de niet-operatieve als de operatieve behandeling bestaat er een nabehandelingschema. Elk ziekenhuis heeft zo zijn eigen schema. Na een operatieve behandeling het onderbeen en de enkel in gips gezet. Na 3 weken gips en +-3/ 4 weken loopgips mag het gips worden verwijderd en moet er flink worden geoefend. De fysiotherapeut zal zich dan vooral richten op het beweeglijk houden van het enkelgewricht, het voorkomen van verkorting en het vergroten van de spierkracht van de kuitspier. Na ongeveer 3 maanden mag men heel voorzichtig beginnen met wat looptraining.Als er word gekozen voor een niet-operatieve behandeling bestaat de nabehandeling uit 6-8 weken tape, bandage of gips om de achillespees te ondersteunen en een hakverhoging.

Aderverkalking (atherosclerose, arteriosclerose)

Aderverkalking (atherosclerose, arteriosclerose)
Aderverkalking is de benaming van een aantal processen waarbij slagaders als het ware 'dichtslibben'. Het dichtslibben van de aderen gebeurd niet van het ene op het andere moment. Het is een proces dat vaak jaren in beslag neemt. Door bijvoorbeeld een hoge bloeddruk wordt de binnenbekleding van de bloedvaten, het endotheel, aangetast. Op de beschadigende plekken kunnen zich vetten afzetten waardoor het endotheel naar binnen wordt gedrukt. Hierdoor kunnen de bloedvaten vernauwen en zelfs verstopt raken. Deze combinatie van processen leidt tot een vermindering van doorstroom van het bloed, wat kan betekenen dat het weefsel en de organen die door deze bloedvaten worden voorzien minder, te weinig of soms zelfs geen bloed meer krijgen.
Normale verouderingsprocessen, ongezonde voeding en andere levensgewoonten (vooral roken!) dragen in belangrijke mate bij aan het proces van atherosclerose.

Aderverkalking is eigenlijk een zwelling in de bloedvatwand ten gevolge van ophoping van cholesterol en dode witte bloedcellen.

1. Binnenbekleding bloedvat (endotheel);aderverkalking2. ophoping van cholesterol, vet, dode witte bloedcellen;
3. verkalkte kern;
4. bindweefsellaag;
5. spierlaag.

>Er zijn drie stadia van aderverkalking:
Stadium 1
De binnenste bekleding van de bloedvaten bestaat uit platte cellen, de endotheellaag. Het eerste begin van aderverkalking is een beschadiging van deze endotheellaag.

Stadium 2
Door de beschadiging van de endotheellaag kunnen zich vetten uit het bloed, bloedlipiden, vastzetten in en onder de beschadigde bloedvatwand. Deze bloedlipiden zijn kleverig, waardoor op de beschadigde plek ook weer bloedplaatjes vastkleven. Als reactie op de verdikking die hierdoor ontstaat, stuurt het lichaam zogenaamde macrofagen naar de verdikking. Deze macrofagen breken de verdikking weer af.

Stadium 3
Er treedt nieuwvorming op van spierweefsel en bindweeselcellen. Beiden zijn onderdeel van de bloedvatwand. Door verkalking wordt het bloedvat stugger, en dus kwetsbaarder. Bovendien is de verdikking onder de binnenste bloedvatwand, de endotheellaag, nog steeds (deels) aanwezig. Hierdoor vindt vaak vernauwing van het bloedvat plaats.

Symptomen
Als er aderverkalking optreedt in de benen wordt het ook wel claudicatio intermittens genoemd, of ook wel etalagebenen. Klik op de hyperlink om de specifieke symptomen van deze aandoening te bekijken.
Verder zijn er geen symptomen op te merken aangezien het dichtslippen van de vaten bij een patiënt niet opgemerkt wordt. Naargelang de aard van de vernauwde slagaders kunnen er zich in een latere fase problemen manifesteren.

Diagnose
Aderverkalking is geen diagnose op zich maar een risicofactor voor vele andere hart- en vaataandoeningen. Kijk voor algemene informatie over hart en vaatziekten op de hyperlink

Onderzoek naar snelheid van het bloed (vernauwing)
Het Doppler-onderzoek is een onderzoek naar de snelheid van de bloedstroom en de stroomrichting van het bloed. Hierbij wordt gebruik gemaakt van ultrageluidsgolven. Dit zijn geluidsgolven die niet hoorbaar zijn. De geluidsgolven worden uitgezonden door een zender, transducer genaamd. Deze wordt geplaatst op de huid. Deze tranducer is tegelijk ook de ontvanger van de golven die teruggekaatst worden.
Het bloed bevat ontelbare bloedlichaampjes die geluidsgolven kunnen terugkaatsen. Afhankelijk van de stroomsnelheid van het bloed wordt er een hoger of lager geluid weergegeven. Dit noemt men het Doppler-effect. Op deze manier kan de snelheid en de richting van de bloedstroom worden gemeten. Als het bloed veel sneller stroomt, is er een vernauwing. Als er geen stroom wordt waargenomen, is het bloedvat verstopt.
Dit onderzoek wordt soms gecombineerd met een echografie. In dat geval spreken we van een Duplex-onderzoek.

Tijdens het onderzoek neemt de patiënt plaats op een stoel of onderzoekstafel. Op de huid wordt gel aangebracht. Met de gel wordt een goed contact tot stand gebracht tussen de transducer en de huid. De transducer is verbonden met een computer, die de teruggekaatste geluidsgolven vergelijkt met de verzonden geluidsgolven. Daaruit wordt opgemaakt wat de stroomsnelheid van het bloed is. Het onderzoek duurt ongeveer 30 tot 45 minuten.

OorzakenRoken, stress, overgewicht, weinig bewegen.
Hoge bloeddruk
Suikerziekte
Cholesterol hoe meer cholesterol erin het bloed zit, hoe meer er achter blijft in het bloedvat
Bestaande hart- en vaatziekten bv. hartfalen en trombose

Gevolg
Hartinfarct (Myocard Infarct)
Herseninfarct (Cerebraal Infarct)
Etalagebenen (Claudicatio Intermittens)
Hartkramp (Angina Pectoris)

Epidemiologie
Hart –en vaatziekten vormen nog altijd de belangrijkste doodsoorzaak in Nederland,met 33% van de totale sterfte. Per jaar sterven in ons land meer dan 45.000 mensen aan deze aandoeningen. Cerebrovasculaire aandoeningen (CVA) vormen een belangrijk deel van de problematiek van hart –en vaatziekten. Per jaar sterven er meer dan 11.000 Nederlanders aan deze ziekten, waarvan driekwart aan een herseninfarct. Naar schatting worden er 41.000 personen voor het eerst door een CVA getroffen. Er overlijden in absolute zin meer vrouwen dan mannen aan hart –en vaatziekten. Wanneer rekening gehouden worden met de verandering in de leeftijdsopbouw van de Nederlandse bevolking is er continuering te zien van daling in sterfte aan hart –en vaatziekten.

Behandelen
Hoge cholesterol is niet onomkeerbaar. Betere leefgewoonten zoals een gezondere voeding en meer lichaamsbeweging kunnen de cholesterolspiegel verbeteren.
Daalt de cholesterolspiegel onvoldoende door deze maatregelen? Blijft de cholesterolspiegel sterk verhoogd? Dan kan het gebruik van cholesterolverlagende geneesmiddelen nodig zijn.
Een regelmatige en volgehouden inname van deze geneesmiddelen zal het risico op hart- en vaatziekten sterk verminderen. Daarnaast is het noodzakelijk dat de risicofactoren optimaal worden aangepakt. Een aangepaste behandeling van suikerziekte en te hoge bloeddruk kan de kans op vaatletsels drastisch verminderen.
In het ergste geval kan een medische ingreep nodig zijn. Er bestaan verschillende ingrepen voor de behandeling van vaatvernauwingen:
Ter hoogte van het hart kan een 'ballonnetje' in de verstopte ader worden gebracht. Dit wordt kort tijd opgeblazen om de verstopping open te rekken.
De bloedstroom kan ook worden hersteld met een bypassoperatie. Hierbij wordt een omleiding gelegd die de verstopping omzeilt.
Voor de hersenbloedvaten en bloedvaten in de benen bestaan er eveneens speciale technieken om de bloedsomloop te herstellen.

Voorkomen is altijd beter dan genezen. Daarom volgen hier enkele waardevolle tips die onder andere kunnen helpen het cholesterolgehalte onder controle te houden:
Zorg voor een evenwichtig voedingspatroon
- Gevarieerd eten
- Beperking van verzadigde vetten zoals roomboter, volle melk, vette vleeswaren
- Inname van veel groenten en fruit
- Matig gebruik van suiker en zout
- Inname van veel zetmeel en voedingsvezels
- Drink minstens 1.5 liter per dag
- Eet minstens tweemaal per week vis
Stop met roken: Roken verhoogt de kans op hart- en vaatziekten
Vermijd overgewicht
Laat hoge bloeddruk behandelen
Vermijd stress
Zorg voor voldoende lichaamsbeweging
Wees matig met alcohol

Fysiotherapie
De fysiotherapeut helpt om in beweging te blijven en de problemen te verminderen in het dagelijkse leven.
Doordat lopen pijn gaat doen (bij etalagebenen), gaan veel mensen op een andere, geforceerde manier lopen. Dit is bedoeld om klachten te vermijden en kost veel energie. Looptraining onder begeleiding van de fysiotherapeut is effectief gebleken. Onder begeleiding leert u de coördinatie verbeteren en u kunt steeds verder lopen zonder pijn.
Het geven van de juiste informatie en goede voorlichting is een essentieel onderdeel van de fysiotherapeutische behandeling van aderverkalking. Om blijvend resultaat te boeken, is immers vaak een verandering van uw gedrag nodig.
De fysiotherapeut leert ook aan hoe men zelfstandig de klachten onder controle kunt houden. Hiervoor heeft de fysiotherapeut, naast de behandeling, een activeringsprogramma. Dit stimuleert de patiënt om na afloop van de therapie te blijven bewegen en de gezonde leefgewoonten voort te zetten.

Behandeldoelen
Vergroten van de loopafstand
Verhogen van de pijntolerantie / leren "door de pijn heen te lopen"
Verminderen van angst voor de pijn
Verbeteren van het looppatroon<
Ontwikkelen van een actieve leefstijl
Verbeteren van specifieke vaardigheden
Geven van informatie en voorlichting

Reuma

Reuma is de verzamelnaam voor een groot aantal aandoeningen aan het bewegingsapparaat van het lichaam. Dit bestaat uit gewrichten, pezen, banden enreuma spieren. Er zijn maar liefst 200 verschillende soorten reuma. De meest voorkomende vormen van reuma zijn artrose en artritis.
Artrose (Artrosis deformans) Degeneratie (kwalitatieve achteruitgang) van het gewricht bijvoorbeeld door slijtage. Artrose is een degeneratief proces dat het kraakbeen, een laagje bindweefsel op het gewrichtsvlak, in het gewricht aantast en op den duur kan laten verdwijnen. Als reactie hierop vindt vaak botwoekering plaats, een (tijdelijke) groei van plaatselijk botweefsel. Zie de afbeelden hiernaast voor verduidelijking. Artrose vindt meestal plaats in de knieën, heupen en de lage wervels.

Primaire vorm.
Deze vorm ontstaat meestal door ouderdom en vindt dus plaats op hogere leeftijd door een leven lang belasten van het kraakbeen. secundaire vorm. Deze vorm vindt meestal plaats na een letsel. Dit kan een ruptuur aan de knie inhouden, een fractuur van het bot, een artritis, een bandletsel enz, enz.

Waarom is het kraakbeen zo kwetsbaar?
Het kraakbeen is een dun laagje bindweefsel op het bot, aan de binnenkant van het gewricht. Het heeft als functie de glij-beweging van de kop en de kom van het gewricht zo soepel mogelijk te laten verlopen. Tussen het kraakbeen van de kop en de kom zit vocht dat het kraakbeen smeert. Het is een soort vettige substantie die door het gewrichtskapsel wordt afgegeven. Het kraakbeen is een zeer kwetsbare structuur. Dit komt omdat het kraakbeen slecht doorbloed is. Door de slechte doorbloeding kan er niet veel bloed door het kraakbeen heen lopen, waardoor afvalstoffen en voedingsstoffen niet in grote hoeveelheden af- en aangevoerd kunnen worden. Als er een beschadiging optreedt in een structuur moeten er grote hoeveelheden voedingsstoffen en bouwstoffen worden aangevoerd om de schade te herstellen. Als dit niet snel genoeg kan, zal het herstelproces van de desbetreffende structuur slecht en zeer langzaam verlopen. Verloop van artrose Artrose verloopt in drie fasen:

In de eerste fase is de aantasting van het kraakbeenweefsel aanwezig. Echter, de patiënt merkt er nog vrijwel niets van.
In de tweede fase heeft de patiënt last van pijn en stramheid in de gewrichten. De achteruitgang van het kraakbeen en het bot zijn duidelijk te zien op een röntgenfoto.
In de derde fase heeft het gewricht geen goede functie meer en is totaal onbruikbaar. Op een röntgenfoto is goed te zien dat het botweefsel rond het gewricht ernstig is aangetast.
In een gevorderd stadium van artrose is het kraakbeen in het gewricht grotendeels of volledig verdwenen. De twee botuiteinden waartussen het gewricht zich bevindt, komen nu direct met elkaar in verbinding, in plaats van dat de uiteinden nog beschermd worden door een laagje kraakbeen.

Doordat er geen kraakbeen meer is dat het botweefsel beschermd, neemt de druk op het botweefsel toe. Het botweefsel maakt nu zelf aanpassingen ter bescherming. Het bot gaat “verharden”. Als men kijkt naar een gezond stuk bot dan ziet men aan de binnenzijde van het bot een poreuze structuur. Er zijn kleine ruimtes zichtbaar in het botweefsel. Mede hierdoor kan het bot de schokken die het krijgt opvangen. Bij een patiënt met artrose verandert het botweefsel in een veel dichtere structuur en kan het bot veel minder goed schokken absorberen. Hierdoor neemt de belasting op het gewricht weer toe en komt men in een vicieuze cirkel terecht. Kraakbeen beschermt het bot en heeft zelf geen pijnreceptoren (nociceptoren), zodra het kraakbeen in zodanige mate versleten is, kunnen de bot delen tegen elkaar aan komen. Dit is dus erg gevoelig, omdat het botvlies wel veel pijnreceptoren bevat (denk aan uw scheenbeen stoten). Symptomen: Pijn; ontstaat door: Rek pijn van de omliggende banden en pezen van het gewricht Ontstekingen ten gevolge van de artritis Verhoogde botdruk Verdwijnen van het kraakbeen als beschermingslaag voor het bot Ochtendstijfheid Overgewicht (obesitas) Kraken van het gewricht (Crepitaties) Verminderde beweeglijkheid Verminderde spierkracht van omliggende spieren Verminderde stabiliteit van het gewricht Vervorming van het gewricht Verminderd lokaal uithoudingsvermogen (vermoeid gevoel in de spieren)

Naast deze symptomen kan er ook nog sprake zijn van: Startstijfheid Het moeilijk op gang komen na een rustpauze die volgt op een redelijk intensieve belasting. Nachtlijke pijn (in sommige gevallen) Vervorming van het botweefsel In fase drie van de aandoening kan het gewricht vervormingen geven. Dit komt door botvorming op de aangedane gedeeltes van het gewricht. Diagnostiek In de huisartsenpraktijk wordt de diagnose artrose vooral gesteld op grond van de klinische symptomen, de lokalisatie van de gewrichtsafwijkingen in combinatie met de leeftijd. Mocht de huisarts twijfelen kan er een röntgenfoto gemaakt worden. Oorzaken / risicofactoren Bij de primaire vorm van artrose is de verhouding tussen de belasting en de belastbaarheid verstoord. Door een verkeerde belasting kan de hoeveelheid kraakbeen achteruitgaan. Hierbij kan verkeerde belasting zowel overbelasting als onderbelasting betekenen. Bij het ontstaan van de secundaire vorm van artrose gaat er een andere aandoening aan de gewrichtslijtage vooraf. De artrose is in dit geval een gevolg van een andere aandoening. Voorbeeld Dit zou bijvoorbeeld een ontsteking aan één van de kniebanden kunnen zijn. Door deze ontsteking komt er ontstekingsvocht in het gewricht. Dit komt in de plaats van de natuurlijke smeer die er behoort te zijn. Door dit vocht kunnen de gewrichtskom en de kop niet goed meer over elkaar heen glijden en is de kans op slijtage van het kraakbeen groter. Als een ontsteking langere tijd aanhoudt kan het kraakbeen aangetast worden. Dit kan zo blijven ook nadat de ontsteking is overgegaan. In dat geval is er sprake van een secundaire vorm van artrose.

Epidemiologie
Artrose is de meest voorkomende gewrichtsaandoening van het bewegingsapparaat. Het voorkomen van artrose neemt toe met de leeftijd. Artrose komt meer voor bij vrouwen dan bij mannen. Op basis van huisartsregistraties is geschat dat in 1994 in Nederland 181.800 personen artrose van de heup hadden en 295.600 personen artrose van de knie,ook andere gewrichten zijn vaak aangedaan.

Wat kunt u zelf aan de aandoening doen Wat u het beste kan doen als u gediagnosticeerd bent met atrose is zoveel mogelijk streven naar zelfactiviteit. Dit leidt tot een actieve leefstijl en geeft als gevolg afleiding van de pijnklachten. Het is sterk af te raden om bepaalde activiteiten door de pijn te verminderen of te vermijden, natuurlijk wel op aangeven van uw behandelend specialist.

Preventie
De kans op atrose wordt groter bij aanhoudende overbelasting op één plek in het lichaam. Hierbij valt te denken aan zwaar werk, werk waarbij steeds herhaalde bewegingen gemaakt moet worden, topsport. Ook door overgewicht kan atrose vormen. Klik op de link overgewicht voor meer informatie over overgewicht en hoe onder andere voorkomen kan worden.

Behandeling
Chirurgie Door middel van chirurgisch ingrijpen kan: Een standsverandering van een gewricht worden aangepast en zo de belasting worden genormaliseerd Een prothese worden aangebracht Een gewricht in een zo gunstig mogelijke stand worden vast gezet.

Behandeling van de fysiotherapeut
De behandeling van de fysiotherapeut zal doorgaans in het teken staan van twee zaken: Het stimuleren van functies, activiteiten en participatie. Hierbij wordt gekeken naar de bewegingen van het lichaam, eventuele beperkingen (zoals bijv. lopen, bukken, gaan staan), en indien aanwezig de participatieproblemen (zoals bijv. Deelname aan huishouden en/of beroep). Welke vorm van bewegen is juist goed, en welke vorm niet. Het bevorderen van een adequate wijze van omgaan met klachten. Daar waar het vorige punt zich meer op het lichamelijk aspect richt, is dit punt meer gericht op het geestelijk aspect. Hoe wordt de pijn ervaren, wat is de reactie hierop. Is dit de juiste reactie. Wordt het bewegingsgedrag hierdoor beïnvloedt. Met de fysiotherapeut worden dit soort zaken uitvoerig besproken. Centraal in de behandeling staat de balans tussen belasting en de belastbaarheid. De behandeling bij patiënten met artrose bestaat uit het reguleren van de belasting van het desbetreffende gewricht. Dit kan door de belasting omlaag en/ of de belastbaarheid van het gewricht omhoog te brengen. Dit kan op de volgende manieren:

Gewrichtsbescherming.
Naast gedoceerde rust kunnen door middel van fysiotherapie bepaalde spiergroepen worden getraind waardoor het gewricht meer belast kan worden. Daarnaast kunnen spiergroepen met een te hoge spanning worden ontspannen waardoor de druk op het gewricht minder wordt. Pijnbestrijding: Door middel van de oefeningen die men bij de fysiotherapeut krijgt kan de belastbaarheid van de knie verhoogd worden of de belasting naar beneden gebracht worden. Kort gezegd kan de knie daardoor meer verdragen waardoor de pijn bij bepaalde belasting kan afnemen. Ook kan de pijn bestreden worden door medicijnen die de ontsteking doen afnemen en door pijnstillende medicijnen in te nemen.

Beroerte (herseninfarct, hersenbloeding, TIA)

Als de bloedvoorziening naar de hersenen plotseling onderbroken wordt, spreekt men van een beroerte. Er kan dan sprake zijn van een hersenbloeding, van een herseninfarct en van een TIA of tijdelijke/voorbijgaande beroerte. Een beroerte wordt ook wel een stroke of een CVA genoemd: Cerebro Vasculair Accident.
Doordat er geen bloed meer komt in een deel van de hersenen, functioneert een deel van de hersenen niet meer. Meestal treden er verlammingen op, zie voor andere verschijnselen kopje symptomen.

Herseninfarct
In 80% van de gevallen van de beroertes gaat het om een herseninfarct. Dit ontstaat als een bloedstolsel een slagader in het hoofd afsluit, waardoor een deel van de hersenen geen bloed en dus geen zuurstof meer krijgt. Dit deel van de hersenen sterft daardoor af. De oorzaak van de vernauwing in de slagader kan slagaderverkalking (ook wel atherosclerose genoemd) zijn, maar het is ook mogelijk dat een bloedprop via het hart naar de hersens aangevoerd is en daar een ader afsluit.

Hersenbloeding
Een hersenbloeding ontstaat doordat een zwakke plek in een bloedvat openbarst of scheurt. Hierdoor raakt er hersenweefsel beschadigd. De verschijnselen zijn hetzelfde als bij het herseninfarct.
Hieronder ziet u een voorbeeld van een hersenbloeding.

beroerte
TIA (tijdelijke of voorbijgaande beroerte)
Als de verschijnselen van een beroerte maar kort aanhouden, is er sprake van een TIA (transient ischemic attack). Dit is een tijdelijke beroerte, waarbij de verschijnselen tussen de 20 minuten en 24 uur aanhouden. Verlamming, duizeligheid, dubbelzien of blindheid aan één oog zijn veelvoorkomende verschijnselen. Meestal aan één kant, omdat de TIA meestal maar in één hersenhelft zit. De linker hersenhelft stuurt de rechterkant van het lichaam aan en de rechter hersenhelft stuurt de linkerkant van het lichaam aan. Bij verlamming aan de linkerkant van het lichaam, is er dus sprake van een beroerte ergens in de rechter hersenhelft. Verder zit het spraakcentrum weer in de linkerhersenhelft.

Symtomen
Voorafgaand aan een beroerte, is er in 20 tot 30% van de gevallen sprake van kortdurende uitvalsverschijnselen in de hersenen. Deze kunnen zich uiten in:

  • dubbelzien
  • blindheid aan één van beide ogen
  • wartaal praten, moeilijk praten
  • evenwichtsproblemen, duizeligheid, gebrekkige coördinatie van armen en benen
  • een afhangende mondhoek en/of een scheef gezicht

Vaak duren deze signalen korter dan 20 minuten en verdwijnen ze binnen een dag weer. In dat geval is er sprake geweest van een TIA, een voorbijgaande beroerte dus. Een TIA kan echter een belangrijke voorbode zijn van een hersenbloeding of herseninfarct.

Gevolgen
Verlamming.
Na een beroerte heeft meer dan 80% van de gevallen één of meerdere verlammingen. De verlammingen na een beroerte in de grote hersenen beperken zich altijd tot één kant van het lichaam. We spreken dan van een halfzijdige verlamming oftewel hemiplegie. Verlammingen aan de rechterkant worden veroorzaakt na een beroerte aan de linkerkant en een halfzijdige verlamming links wordt veroorzaakt door een beroerte aan de rechterkant


Gevoelsstoornis.
De gevoelsstoornissen zijn halfzijdig en treden vrijwel altijd op aan de kant van de verlamming. Er kunnen verschillende vormen optreden bijvoorbeeld geen pijn, kou en warmte of aanrakingen meer voelen. Of dat iemand helemaal niet meer voelt. Ook kan het zo zijn dat iemand constant prikkelingen of tintelingen voelt (paraesthesiën). Het zogenaamde diepe gevoel kan ook verstoord zijn. Iemand kan niet goed meer voelen hoe de stand van zijn arm of been is. Wanneer iemand niet meer voelt hoe de stand van arm of been is kan hij nauwelijks meer lopen.


Verwaarlozing (neglect).
Iemand met verwaarlozing of neglect heeft geen aandacht meer voor één kant van zijn lichaam en voor de omgeving aan deze kant van zijn lichaam. Één kant van het lichaam bestaat niet meer. Hij is zich er niet van bewust. Zoals geldt voor alle gevolgen van een beroerte pakt een neglect niet voor iedereen hetzelfde uit. De neglect kan sterker zijn als iemand moe is of als er links en rechts veel dingen tegelijk gebeuren.


Stoornis in het zien (hemianopsie).
Bij hemianopsie is een deel van het gezichtsveld wazig. Het wazige gebied wordt niet veroorzaakt door uitval van één oog. In beide ogen is hetzelfde stukje aan de linker- en rechterkant van het gezichtsveld weggevallen. De uitval is het gevolg van een beschadiging in de hersenen. Iemand heeft uitvalsverschijnselen van het oog door beschadiging van de oogzenuw.

Het onvermogen om jezelf uit te drukken d.m.v. woorden (afasie).
Afasie is een spraakstoornis. Iemand met een spraakstoornis spreekt moeilijk, omdat hij moeite heeft met het bewegen van de spieren van zijn mond, tong en keel. Bij afasie is de functie van het taalcentrum in de hersenen verstoord. Iemand kan moeite hebben van het vinden van de juiste woorden, terwijl hij precies weet wat hij wil zeggen. Iemand kan de verkeerde woorden gebruiken. Hij zegt ‘trui’maar bedoeld ‘broek’.

Het onvermogen om doelbewuste handelingen uit te voeren (apraxie). Iemand kan in woorden uitdrukken hoe hij iets moet doen, maar hij kan het niet uitvoeren. Dit onvermogen is niet het gevolg van verlamming, gevoelsstoornis of verwaarlozing.Hij kan bijvoorbeeld geen koffie meer zetten, omdat hij de koffie op het schoteltje legt, het water in het kopje doet en de koffiefilter in zijn hand houdt.

De
Pijn.
Pijnklachten kunnen zijn gewrichtspijn, gezwollen of koude benen aan de verlamde of verwaarloosde kant en drukpijn. Pijnklachten die het gevolg zijn van een gevoelsstoornis kunnen heel hardnekkig zijn. Iemand heeft het gevoel dat hij zich verbrandt heeft of constant met naalden in een arm of been wordt gestoken.De pijn ontstaat soms direct na de beroerte, maar kunnen zich ook ontwikkelen enige weken tot maanden later.

Toeval (vroeger epilepsie genoemd). Een toeval ontstaat kort na een beroerte of pas na enige tijd. Het eerste jaar na de beroerte is de kans hierop 5%, daarna daalt het risico tot 1 à 2%.

Snelheid van handelen/denken.
Het tempo waarin iemand informatie verwerkt kan vertraagd zijn.

Vergeetachtigheid. Bij geheugenproblemen wordt informatie sneller vergeten.
Concentratieproblemen. Achteruitgang in de concentratie.
Stemmingsveranderingen. De stemming kan veranderen. Sommige mensen trekken zich terug en zijn somber. Anderen kunnen hun emoties niet in bedwang houden, ze zijn snel kwaad of lachen en huilen terwijl daar geen aanleiding voor is. Soms lukt het ze niet om te stoppen.

Vermoeidheid.
Na een beroerte klaagt bijna iedereen over vermoeidheid. Alles kost ook veel energie.

Depressie. Het is belangrijk om deze gevoelens bij iemand te herkennen. Bij een depressie is iemand niet gemotiveerd voor revalidatie. Een depressie maakt het leven voor de betrokkenen extra moeilijk. Een depressie kan behandeld worden door medicijnen.

Verwerking van de beroerte.
Mensen hebben vaak veel problemen bij het verwerken van een beroerte. Dat heeft te maken met het besef dat het lichaam het volkomen onverwacht heeft laten afweten. De vanzelfsprekendheid waarmee je op je lichaam kon vertrouwen is verdwenen. Het kost tijd en energie om die ervaring te verwerken.

Doordat er na een beroerte vaak sprake is van moeilijkere communicatie (met de omgeving), gedeeltelijk verlies van het gezichtsveld en fysieke problemen, kunnen mensen problemen krijgen. Zo kan men door (gedeeltelijke) invaliditeit in de ziektewet belanden, sociale contacten kunnen minder worden en ook de familie kan heel wat te stellen krijgen met de patiënt waardoor daar druk ontstaat of schuldgevoelens ontstaan

Diagnose
Om de diagnose beroerte vast te stellen wordt er vaak gebruik gemaakt van een CAT-scan en/of een MRI scan. Zodra er een aantal symtomen aanwezig zijn kan er door een arts beslist worden of een scan (MRI of CAT) gemaakt kan worden, om zo een beroerte aan te tonen of uit te sluiten.

Herkennen van een beroerte
Mond: Let op of de mond scheef staat of een mondhoek naar beneden hangt.
Hulpmiddel als u het niet direct ziet: vraag de persoon om zijn tanden te laten zien.

Arm: Let op of een arm (of been) verlamd is.
Hulpmiddel: Vraag aan de persoon om beide armen tegelijkertijd horizontaal naar voren te strekken en de binnenzijde van de handen naar boven te draaien. Let op of een arm wegzakt of rondzwalkt.

Spraak: Let op of de persoon onduidelijk spreekt of niet meer uit de woorden komt.
Hulpmiddel: vraag aan de persoon een zin uit te spreken.

Tijd: Stel vast hoe laat de klachten bij de persoon zijn begonnen. Indien de persoon binnen drie uren behandeld wordt, is de kans op herstel groter.

Dit zijn de eerste symtomen die vooraf een beroerte waarneembaar zijn.

Oorzaken / risicofactoren
Een beroerte ontstaat als de hersenen plotseling geen bloed meer krijgen. Dat kan op twee manieren gebeuren: via een herseninfarct of via een hersenbloeding.
Ongeveer 80% van de beroertes ontstaat door een herseninfarct (een afsluiting van een bloedvat). Dit komt vooral bij ouderen voor, vaak als gevolg van aderverkalking of trombose.
De overige beroertes ontstaan door een hersenbloeding. Hersenbloedingen kunnen ontstaan door een aangeboren zwakke plek in de slagader of aderverkalking in combinatie met een te hoge bloeddruk. (Dit komt relatief vaker voor bij jonge mensen).
Sommige mensen lopen een groter risico op een beroerte. De belangrijkste risicofactoren zijn:

ouderdom
hoge bloeddruk
diabetes mellitus (suikerziekte)
te hoog cholesterol
hart- en vaatziekten
roken
stress
overgewicht
te weinig bewegen.

Epidemiologie
In Nederland krijgen ongeveer 30.000 mensen per jaar een beroerte en leven rond 120.000 mensen met de gevolgen van een beroerte. Het is doodsoorzaak nummer 4 in Nederland en één van de belangrijkste oorzaken van invaliditeit. Het grootste gedeelte van de sterfte binnen de groep hart -en vaatziekten wordt veroorzaakt door de ischemische hartziekte (13.343) en een beroerte (10.429). Beroerte is verantwoordelijk voor 24% van de sterfte binnen hart -en vaatziekten. In 2005 stierven er 4.064 mannen en 6.365 vrouwen aan een beroerte.
Beroertes komen over het algemeen pas voor op latere leeftijd, meestal tegen de 60jaar aan. Voor deze tijd worden beroertes niet vaak gediagnosticeerd. Dit wil niet zeggen dat beroertes niet voorkomen voor deze leeftijdsgrens, er bestaat altijd een kans dat u een beroerte kan krijgen.

Behandeling
De behandeling is door de complexe klachten bijna altijd in een multidisciplinair team:

De fysiotherapeut
Het werk van de fysiotherapeut richt zich vooral op het zo goed mogelijk functioneren van het eigen lichaam. Het belangrijkste doel na een beroerte is dat er weer controle komt over het eigen lichaam, waarbij gezonde en aangedane zijde zoveel mogelijk samenwerken.Verder wordt er geprobeerd ongunstige gevolgen van de verlammingen en bedrust tegen te gaan. Er kunnen dwangstanden of contracturen van de armen en benen ontstaan. Door oefeningen probeert men te stimuleren dat de patiënt zich meer bewust wordt van de verlamde zijde.
De ergotherapeut: Kijkt in hoeverre iemand zich kan redden, huishoudelijk werk kan verrichten of misschien ook nog ander werk.Hij gaat na wat de beperkingen zijn die iemand heeft door zijn handicap.Vervolgens traint hij met de patiënt de vaardigheden zodat hij een zo zelfstandig mogelijk leven kan leiden. Zo nodig adviseert hij extra hulpmiddelen of voorzieningen die in het huis aangepast moeten worden.
De logopedist: Richt zich op de communicatie en probeert de taal en de spraak te verbeteren. De logopedist adviseert ook bij slikstoornissen. Als de slikstoornissen leiden tot problemen bij het eten, wordt er advies gevraagd bij de diëtist.
De diëtist: Adviseert de patiënt over voeding. Om de kans op herhaling van een beroerte te verkleinen, krijgt een patiënt soms een speciaal dieet.
De neuropsycholoog: Helpt de patiënt bij het verwerken. Hij onderzoekt of de patiënt onzichtbare stoornissen heeft en zoekt naar manieren waarop de patiënt met de verloren psychische functies zo goed mogelijk kan leven.
De maatschappelijk werkster: Begeleidt de patiënt met maatschappelijke zaken, zoals financiën en de verzekeringen. Daarnaast ondersteunt zij de partner bij de verwerkingsprocessen.
De revalidatiearts: Is verantwoordelijk voor de gehele revalidatie van de patiënt. Hij inventariseert wat haalbaar is.

Fysiotherapeutische behandeling.
Als de fysiotherapeut voor het eerst naar u toe komt of gaat voor het eerst naar de fysiotherapeut, wordt er eerst een inschatting gemaakt in hoeverre mate u beperkt bent in uw functioneren in het dagelijks leven. Om achter deze informatie te komen gaat de fysiotherapeut eerst even met u praten en vraagt hij/zij eventueel of u een vragenlijst in wilt vullen. De fysiotherapeut gaat vervolgens dan verder te werk met een aantal meetinstrumenten. Als u een onvoldoende scoort op een van deze meetinstrumenten, wil dit zeggen dat u voor dit aspect voor verbetering vatbaar bent. De meetinstrumenten staan in het kader van: Bewegingsuitslag, pijn, reflexen, hersenzenuwfuncties, stijfheid bij passief bewegen, spasticiteit, zitbalans, stabalans, transfers (een manier om van A naar B te komen), uithoudingsvermogen (lokaal en algemeen), loopvaardigheid en handvaardigheid.

De fysiotherapeut houdt deze gegevens goed bij en maakt vervolgens een behandelplan die hij/zij met u zal gaan bespreken. De fysiotherapeut richt zich dan zowel op de aangedane als op de niet aangedane zijde van de patiënt.

COPD (astma, longemfyseem, chronische bronchitis)

Astma
Astma is een ziekte die over de hele wereld voorkomt bij mensen van jong tot oud. De ernste van astma kan sterk variëren: van af en toe een piepende ademhaling tot ernstige invalidering door kortademigheid. De laatste descenia is er veel bekend geworden over astma. De behandeling is enorm verbeterd met de introductie van inhalatiemedicijnen. Maar deze chronische aandoening is niet te genezen, met de behandeling kunnen de klachten slechts worden verminderd. De term astma werd al 3000 jaar geleden gebruikt door de Griekse geneesheer Hippocrates. Astma betekend: moeilijk ademen. Chronische bronchitis
Bronchitis is een aandoening (ontsteking) van het slijmvlies in de luchtwegen. Mensen met bronchitis hoesten veel en geven daarbij slijm op. Sommige patiënten hebben naast deze klachten ook last van kortademigheid of een piepende ademhaling. Bronchitis wordt chronisch als de klachten langer dan drie maanden gedurende een jaar aanwezig zijn.

Longemfyseem
Bij emfyseem zijn de longen minder rekbaar geworden. Daardoor is iemand met emfyseem voortdurend kortademig en bij geringe inspanning kan al benauwdheid optreden. Het stevige bindweefsel van de longblaasjes wordt door een bepaald enzym afgebroken en de longblaasjes worden slappe zakjes. Bij hard hoesten is het mogelijk dat de longen dichtklappen omdat ze alle stevigheid zijn verloren. Het is belangrijk dat emfyseempatiënten leren huffen (zie gedeelte fysiotherapie) in plaats van hoesten. Roken speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van longemfyseem.

Chronische bronchitis en longemfyseem hebben gemeenschappelijke uitingsvormen. COPD is de verzamelnaam voor deze twee aandoeningen. COPD staat voor Chronic Obstructive Pulmonary Disease

Symptomen
COPD:

Hoesten en slijm opgeven
Benauwdheid
Prikkelbare luchtwegen
Minder inspanningen kunnen doen door kortademigheid
Vermoeidheid
Gewichtsverlies

Omdat het uitademen belemmerd wordt treedt er verandering op in de ademhalingsbeweging. Bij mensen met emfyseem en chronische bronchitis (COPD) is er vaak sprake van een voorovergebogen houding waarbij de schouders verder naar voren staan dan normaal. Verder is de stand van de longen net zoals deze zou zijn wanneer men volledig inademt. Dit heet ook wel inspiratiestand. Deze stand wordt door de patiënt aangenomen omdat zij het ademen vergemakkelijkt.
Door de verandering in de ademhaling krijgen de ademhalingsspieren veel meer te doen. Bij gezonde mensen bedraagt het aandeel van de ademhalingsspieren in de totale zuurstofconsumptie niet meer dan 5%. Bij patiënten met chronische bronchitis en emfyseem kan dit op lopen tot 40%.

De meeste mensen met COPD hebben dagelijks klachten. COPD is een progressieve ziekte, dat wil zeggen dat de ziekte niet te genezen is en langzaam aan steeds erger wordt. Dit leidt tot beperkingen en handicaps. De belangrijkste beperkingen zijn kortademigheid en een verminderde inspanningstolerantie. De conditie van de patiënt gaat achteruit en de verhouding tussen belasting en belastbaarheid gaat achteruit.
Hierdoor ontstaat dikwijls een neerwaartse spiraal. Uit angst voor kortademigheid gaan mensen bewegen vermijden. Hierdoor verslechtert de conditie nog verder.
Door het vermijden van beweging komen mensen in een sociaal isolement wat op zijn beurt weer kan leiden tot neerslachtigheid en een versterking van de inactiviteit.
Onderzoek heeft aangetoond dat voornamelijk spierzwakte, zowel van de ademhalingsspieren als van de perifere skeletspieren, in belangrijke mate bijdraagt aan beperkingen en handicaps van COPD-patiënten. De lichamelijke inspanning die COPD-patiënten moeten leveren vraagt meer energie. In combinatie met moeizaam eten als gevolg van ademhalingsproblemen raken COPD-patiënten gemakkelijk ondervoedt. Hierdoor kunnen patiënten in een neerwaartse spiraal raken waardoor het steeds slechter met de conditie gaat!
Voedingstherapie, in combinatie met bewegingstherapie, helpt de neerwaartse spiraal van energietekort en ondervoeding te doorbreken.

Astma:

Klachten van piepen, kortademigheid, drukkend gevoel op de borst en hoesten, in het bijzonder ’s nachts en in de vroege ochtend.
Klachten kunnen sterk wisselen in ernst, er kunnen zelfs perioden zijn waarin er nauwelijks of geen klachten zijn. De luchtwegen zijn hierbij ook in wisselende mate vernauwd. De luchtwegvernauwing kan vaak verminderen, spontaan of na therapie.
Het onderliggend lijden is een chronische ontstekingsziekte van de luchtwegen, waarbij veel typen cellen en ontstekingsfactoren een rol spelen. De chronische ontsteking veroorzaakt overgevoeligheid van de luchtwegen.
Versneld ademen (hyperventilatie)

Diagnose Astma
Volwassenen
De (huis)arts stelt de diagnose astma op basis van de anamnese, lichamelijk onderzoek (beluisteren van de longen) en aanvullend onderzoek.

Bij de anamnese vraagt de arts onder andere naar klachten over hoesten, kortademigheid, hyperreactiviteit en allergie.
Bij het aanvullend onderzoek meet de arts de longfunctie met een piekstroommeter of spirometer. Vaak wordt een reversibiliteittest verricht. Bij een reversibiliteittest wordt de longfunctie bepaald voor en na toediening van een zogenaamde bronchusverwijderaar. Als de longfunctie na toediening van de bronchusverwijderaar verbetert, is er waarschijnlijk sprake van astma. Een reversibiliteittest is ook een methode om astma van COPD te onderscheiden; bij COPD zal de longfunctie of de FEV1 na toediening niet verbeteren.

Om te bepalen of er sprake is van een allergie, verricht de arts een allergietest (een RAST-test of een huidpriktest). Bij verergering van de klachten in een vochtige of stoffige omgeving kan er sprake zijn van een huisstofmijtallergie, in voorjaar of zomer van allergie voor boom- of graspollen, bij contact met dieren van allergie voor deze dieren (katten, honden, knaagdieren, paarden etc).

Kinderen
Bij kinderen jonger dan 5 jaar kan de arts zelden met zekerheid vaststellen of er sprake is van astma. Dat komt onder andere doordat deze jonge kinderen de longfunctietesten die bij oudere kinderen en volwassenen worden gebruikt om astma vast te stellen niet of moeilijk kunnen uitvoeren. Daarnaast hebben juist jonge kinderen relatief vaak -in samenhang met virale luchtweginfecties - luchtwegklachten, zoals piepende ademhaling en hoesten, die niet te onderscheiden zijn van zich ontwikkelend astma. Daarom is de diagnose astma bij kinderen jonger dan 5 jaar vaak een klinische diagnose gebaseerd op de aanwezigheid van recidiverend hoesten, piepen, kortademigheid en 'volzitten'. Deze laatste klacht komt voornamelijk in het 1e levensjaar voor.

Diagnose COPD
COPD kan gediagnosticeerd worden door een spirometrietest of longfunctietest.
De patiënt zal een geforceerde uitademing doen in een spirometer. Een verlaging van de éénseconde waarde (FEV1) zal waar te nemen zijn.
Indien de éénseconde waarde onder 80% ligt zal de specialist extra testen doen om de diagnose te bevestigen.

COPD
Geschat wordt dat bij 75% van patiënten die lijden aan COPD, de klachten zijn veroorzaakt door roken (vooral emfyseempatiënten). Roken heeft daarnaast ook een negatief effect op het beloop van COPD en kan de klachten verergeren. Ook (beroepsmatige) langdurige blootstelling aan risicostoffen, luchtverontreiniging en respiratoire infectie kunnen bijdragen aan het ontstaan van de klachten

Astma
De kortademigheid komt doordat hun luchtwegen snel geprikkeld raken door allerlei stoffen. Veel mensen met astma zijn allergisch. De aanleg voor astma en allergieën is erfelijk. De een krijgt bijvoorbeeld problemen door huisstofmijt, de ander kan niet tegen huisdieren of pollen. Vaak ontstaan er klachten door niet-allergische prikkels zoals sigarettenrook, parfum en mist.
In Nederland hebben zeker 400.000 mensen in meer of mindere mate last van astma. De verwachting is dat dit aantal alleen nog maar zal toenemen.

Behandeling
Medicijnen
Er zijn geen medicijnen die chronische bronchitis of emfyseem genezen. Wel kunnen medicijnen klachten verlichten en helpen de conditie van de luchtwegen op pijl te houden. De medicijnen worden grotendeels via inhalatie toegediend.

Fysiotherapie
In de meeste gevallen kan de fysiotherapeut helpen om beter om te gaan met COPD en astma. Een fysiotherapeut kan helpen:

om op een makkelijker manier te ademen
om te ontspannen, ook als u benauwd bent
om een betere conditie te krijgen
om beter te leren huffen, zodat vastzittend slijm makkelijker opgehoest kan worden

Knieklachten

De knie bestaat uit drie beenderen: het dijbeen of femur, het onderbeen of tibia en de knieschijf of patella.knieDe knieschijf (patella) is een apart botstuk; het ligt binnenin een pees, die de grote dijbeenspieren (quadriceps) aan de voorzijde van het been verbindt met het onderbeen.
Tevens vormt het een verbinding tussen de pees van de quadriceps (bovenaan) en de patellapees (onderaan).
De knieschijf dient als een soort hefboom op het moment dat de quadriceps aanspant en het been gaat strekken, hierdoor wordt de kracht van de dijbeenspieren vergroot.

Alle beenderige componenten van boven en onderbeen en knieschijf zijn met een dikke, gladde laag kraakbeen bedekt, het is een elastische, rubberachtige structuur die als shockbreker fungeert in de gewrichten. Dit zorgt ervoor dat al deze structuren normaal gezien zacht en vlot over elkaar kunnen bewegen.
De knieschijf zelf beweegt zich in een soort spoor in het bovenbeen, de trochlea genoemd. Dit is een soort bedding in kraakbeen die gevormd is vooraan het bovenbeen.

De knieschijf wordt in zijn bewegingen verder ook gecontroleerd door twee andere spieren, één aan elke zijde: de vastus medialis en de vastus lateralis. Zij besturen de patella zoals een paard door de teugels bestuurd wordt.
Vier gewrichtsbanden, stevige weefselstructuren die van bot tot bot verlopen, liggen rond de knie en geven een stabiliteit aan het gewricht, ze verhinderen dat extreme bewegingen of abnormale bewegingen van de beenderen ten opzichte van elkaar gemaakt worden. Stevige pezen hechten aan op deze botstructuren, ze vormen de verbinding tussen de spieren en het bot. Deze dikke, koordachtige weefselstructuren zorgen ervoor dat we de beenderen en gewrichten kunnen bewegen.
Voorste kruisband en achterste kruisband
Kapsel (synovia)

Meniscus
De meniscus is een C- vormige, afgeplatte, kraakbeenstructuur die zich tussen boven en onderbeen bevindt. Er zijn twee meniscussen in de knie: één aan de binnenzijde (mediale meniscus) en één aan de buitenzijde (laterale meniscus) van de knie.
De meniscussen functioneren als een zeer belangrijke schokbreker en zijn gemaakt van een speciaal soort kraakbeen, fibrocartilago genoemd. Ze vangen de grote krachten op die op de knie inwerken en verminderen de wrijving tussen het boven en onderbeen. Ze beschermen het kraakbeen in de knie, hierdoor wordt de snelle slijtage van het kniegewricht tegengegaan. Tevens zijn ze belangrijk voor de stabiliteit van het kniegewricht.
Een groot percentage van ons gewicht en de bijhorende krachten die ontstaan bij stappen, lopen en springen wordt door de meniscussen opgevangen. Bijkomend zorgen ze voor de stabiliteit van de knie: door de vorm zorgt de meniscus voor een betere aanpassing van de vorm van het bovenbeen dat afgerond is, met de vorm van het onderbeen dat vlak is. Verder heeft de meniscus een rol in de voeding van het kraakbeen dat de gewrichtsoppervlakken bedekt.

Knieklachten
Door de bouw en functie is het kniegewricht een zeerkwetsbaar gewricht. Door veel factoren kan het evenwicht tussenbelasting en belastbaarheid van de knie verstoord worden. Als de belasting hoger wordt dan de belastbaarheid ontstaan er klachten. De belastbaarheid kan tijdelijk verlaagd zijn t.g.v. een trauma. Veel voorkomende traumata zijn meniscus- en kniebandletsel. Deze twee aandoeningen vielen vroeger onder de naam ‘voetbalknie’, maar door het invoeren van de kijkoperatie is het nu goed mogelijk onderscheid te maken tussen de verschillende letsels.

Maatregelen die u zelf kunt treffen na het trauma
Kan u na het trauma uw been nog helemaal strekken, en er met uw volle gewicht op staan en kan u dat de volgende dag ook nog dan valt de blessure waarschijnlijk wel mee. Is de pijn direct na het trauma zeer heftig en wordt de knie snel dik (binnen 20/30 min) dan is deskundige diagnose vrijwel altijd noodzakelijk. Is er op dit moment geen arts of fysiotherapeut aanwezig, koel de knie zelf dan zo snel mogelijk met een zak ijs of een cold pack. Hou de pakking er maximaal 20 minuten op en doe er wel een theedoek tussen!

Dit vermindert de zwelling en vergemakkelijkt later de diagnose. De knie blijft als hij niet al te dik is ook beter beweeglijk. Dit is belangrijk voor het herstel. Als u u been niet veel gebruikt verslappen u spieren en met name de mm. quadriceps (dit zijn de grote bovenbeenspieren aan de voorkant van het bovenbeen). Deze groep spieren zit aan de voorkant van het bovenbeen en zorgen voor stabiliteit om het knie gewricht en moet dus sterk blijven. Train deze door zover mogelijk u knie te strekken en te buigen.

Oorzaken / risicofactoren
De volgende factoren vormen een risico voor het ontstaan van knieaandoeningen:

regelmatig geknield of gehurkt werken
regelmatig traplopen
springen van verhogingen
veelvuldig optredende mechanische drukbelasting op het kniegewricht
tillen.

Beroepen waarbij deze risicofactoren veel voorkomen zijn oa.:

tegelzetter
straatmaker
loodgieter
vloerenlegger

Behandeling
Wat u zelf kunt doen
Het belangrijkste is dat het balans tussen belasting en belastbaarheid weer wordt hersteld. Dit kan op verschillende manieren. Er moet dus worden gekeken naar de aanleiding van het letsel. Om de klachten niet te laten toe nemen moet de belasting in ieder geval omlaag. Maatregelen:

Fietsen met een licht verzet, zeker tegen de wind in, maar ook bij weg rijden.
Probeer uw fietszadel zo hoog mogelijk te zetten zodat de buiging van de knie klein blijft.
Zo min mogelijk traplopen
Trainingsarbeid en sportactiviteit aanpassen
Ga na of uw schoenen nog goed zijn, m.n. bij het hardlopen in een later stadium
Als u lang moet zitten buig dan de knieën niet te ver en te veel
Probeer niet te lang in een houding te blijven zitten en af en toe de benen te strekken

Het kapsel van de knie is een dun vlies (synovia) dat als een soort ballon rond de beenderen van de knie ligt,het is gevuld met een kleine hoeveelheid visceuze (dikke) vloeistof, het gewrichtsvocht. Net zoals er extra plooitus zijn aan de schouders en de mouwen van uw kleren zijn er in de knie in het kapsel ook extra plooitus die een onbeperkte beweeglijkheid van de knie toestaan.

Er kunnen vier plica synovialis gevonden worden in de knie; er is er echter één die bijna altijd verantwoordelijk is voor de klachten namelijk de mediale plica. Deze plica verloopt aan de binnenzijde van de knie, van ongeveer de onderzijde van de knieschijf naar de binnenzijde van het dijbeen toe. In de meeste gevallen, 50 tot 70 % van de mensen hebben deze plica, veroorzaakt deze geen last.
De voorste kruisband ligt centraal in de knie en komt van de achterzijde van het bovenbeen naar de voorzijde van het onderbeen.
De voornaamste functie van deze band is het verhinderen dat de knie naar voor schiet, voornamelijk bij rotatie of draaibewegingen va het gewricht.

Bij het volledig strekken van de knie is de band ook aangespannen, het overstrekken van de knie kan dus ook een scheur van de voorste kruisband veroorzaken.
De achterste kruiband is het voorste kruisband evenbeeld. Omdat de voorste kruisband en de achterste kruisband diagonaal lopen (dus niet paralel) ‘’kruisen’’ ze elkaar. De voornaamste functie van de achterste kruisband is het voorkomen dat het onderbeen ten op dichte van het bovenbeen van achteren toe schiet. Hij zorgt dus voor stabiliteit in de knie, net zoals de voorstekruisband doet.

Belasting en belastbaarheid

weegschaalBelasting: "Een last of gewicht dat gedragen moet worden of dat op een individu rust."
Dit kan een last zijn in gewicht (kg) maar ook een last op geestelijk niveau. Is de last op het geestelijk niveau dan is de last niet uit te drukken in een waarde. Het is in dat geval de psychische druk die er op een individu wordt uitgeoefend.

Belastbaarheid (ook wel draagkracht genoemd): dit is de last die een individu of een gedeelte van het individu kan dragen. Belastbaarheid hangt samen met de algehele conditie van het lichaam of delen van het lichaam bijv. de achillespees of de knie. Een chronische ontsteking van de achillespees verlaagt de conditie van de achillespees en daardoor de belastbaarheid. Het woord conditie van het lichaam of de conditie van delen van het lichaam is een sleutelwoord bij het begrip belastbaarheid.

Ziektes (ontstekingen/griep), vermoeidheid (geestelijke conditie), overtraining, langdurige onderbreking van de training verlagen de belastbaarheid: er is sprake van een verlaging in de belastbaarheid.

Voorbeeld 1: de belastbaarheid van een gewricht is bijvoorbeeld plus minus 40 kg. Dit betekent dat de belasting die het gewricht kan dragen kleiner of gelijk is aan 40 kg.
Als een persoon, bijvoorbeeld door overgewicht, meer dan 40 kg op het gewricht laat rusten dan is er sprake van overbelasting. Het gewricht heeft een hogere belasting te verdragen dan de belastbaarheid toelaat.

Voorbeeld 2: een persoon kan een bepaalde geestelijke belasting dragen.
Deze belasting is gedurende het dagelijks leven laag maar kan door bepaalde gebeurtenissen ineens veel hoger worden. Dit kan bijvoorbeeld zijn door een aangrijpende gebeurtenis in de omgeving van een persoon. Het kan op een dergelijk moment zo zijn dat de belastbaarheid van deze persoon veel lager wordt omdat er op het desbetreffende moment al een hoge belasting op de persoon rust.
Als deze belasting te hoog is dan is de belasting groter dan de belastbaarheid. In een dergelijke situatie kan dit resulteren in een overspannen toestand.

Voorbeeld 3: in voorbeeld 1 werd er uitgelegd dat een gewricht een bepaalde belastbaarheid heeft. Dit geldt ook voor de spieren in het lichaam.Een spier is opgedeelt in 3 eigenschappen, namelijk: spieruithoudingsvermogen, spierkracht en coördinatie. Door deze eigenschappen heeft de spier een bepaalde belastbaarheid. Als er een overbelasting plaats vindt, wil dit zeggen dat de spier de belasting niet meer aan kan. Hierdoor kan de spier beschadigen in de vorm van een overrekking of spierscheuring (ruptuur), klik op de link voor meer uitleg hierover. Dit kan liggen aan het uithoudingsvermogen van de spier of aan de kracht of aan de coördinatie. Dit komt over het algemeen meer voor in de sport, een aandoening die veelvuldig voorkomt in de sport is de zweepslag. De oorzaken die hiertoe leiden hebben te maken met deze vorm van belasting en belastbaarheid.

Het fysiotherapeutische belang van belasting / belastbaarheid:
Binnen de fysiotherapie moet altijd gelet worden op de belasting en de belastbaarheid. Patiënten die bij de fysiotherapeut komen, hebben in de meeste gevallen een verstoorde verhouding tussen de belasting en de belastbaarheid.
De fysiotherapeut moet goed rekening houden met de belasting die aan de patiënt wordt opgelegd. Bij de lage belasting heeft de behandeling geen effect heeft. Bij te hoge belasting verergeren de klachten.
Bij het doel van de behandeling spelen de belasting en de belastbaarheid een grote rol. De fysiotherapeut kan een patiënt helpen door de belasting omlaag te brengen of door de belastbaarheid omhoog te brengen.
In het eerste geval pakt men hetgeen de patiënt belast aan. Dit kunnen van allerlei factoren zijn bijvoorbeeld de werkomgeving van de patiënt, overgewicht, houding enz, enz.
In het tweede geval pakt men de belastbaarheid van de patiënt zelf aan. Dit kan de therapeut doen door de patiënt te trainen waardoor de patiënt een hogere belasting aan kan. De patiënt is als het ware in staat meer last te torsen dan voorheen. Door training verbetert de belastbaarheid. Door training is het lichaam in staat is om steeds grotere belastingen aan te kunnen. Regelmatig trainen verhoogt de conditie en daardoor de belastbaarheid; het lichaam wordt sterker: er is sprake van een verbetering in de belastbaarheid.

De behandeling kan worden vergeleken met een weegschaal. Aan de ene kant de belasting en aan de andere kant de belastbaarheid. Bij deze weegschaal mag de belasting niet zwaarder zijn dan de belastbaarheid. Is dit het geval dan kan de fysiotherapeut het verschil oplossen door aan de ene kant de belasting af te laten nemen en/ of aan de andere kant de belastbaarheid iets te laten toenemen.

Tenniselleboog (Epicondiylitis lateralis)

De tenniselleboog is een veel voorkomende blessure. De medische term is epicondylitis lateralis. Deze blessure komt niet alleen, zo als de naam doet vermoeden, bij tennissers voor. Slechts 5% van alle patiënten met een tenniselleboog tennist daadwerkelijk. Wel krijgt 50% van alle actieve tennissers één of meer periodes van klachten.tennis

De tenniselleboog is een overbelastingssyndroom. Dit houdt in dat de pees van de strekspieren van de hand zijn overbelast. Deze strekspieren bevinden zich in de onderarm, en lopen over het polsgewricht en hechten aan op de buitenkant van de elleboog (laterale epicondyl). Op deze plek onstaan de klachten (afb. 1) De spieren die het meest betrokken zijn bij deze aandoening zijn de extensor carpi radialis brevis en de extensor carpi ulnaris (rood).De tenniselleboog valt ook wel onder de naam CANS. CANS staat voor Complaints of the Arm, Neck and/or Shoulder. Volgens de daarbij opgestelde definitie zijn dit klachten van het bewegingsapparaat in arm, nek en/of schouder, die niet veroorzaakt worden door een acuut trauma of een systemische aandoening. Voorheen werden dit soort klachten ingedeeld onder de naam RSI. RSI was een overkoepelende naam voor een aantal specifieke pees-, zenuw- en spiergerelateerde aandoeningen van de nek en de arm. Belangrijk is om te onthouden is dat de term CANS een omschrijving van een klachtencomplex is en geen diagnose.

Symptomen
Bij een tenniselleboog is er pijn ter hoogte van de buitenzijde van de elleboog, soms uitstralend naar de onderarm en pols en zelden uitstraling naar buitenzijde bovenarm en schouder. De pijnklachten treden op, of verergeren wanneer de strekspieren van de pols en de hand worden aangespannen, bijvoorbeeld als we iets met de hand op willen pakken. U kunt het ook zoals de volgende illustratie proberen.

De strekspieren van de pols en de hand worden tegen weerstand aangespannen. Bij aanwezigheid van een tenniselleboog is dit pijnlijk. De oorsprong van de strekspieren van de pols en hand zit vast aan de buitenzijde van de elleboog.Wanneer daarop gedrukt wordt, doet die plek ook pijn. Doordat de pijn in het begin nog wel eens wegtrekt blijven mensen de arm belasten waardoor dit tot pijnklachten kan leiden die ook 's nachts aanhouden, ook als de arm niet wordt gebruikt. Een tenniselleboog in een gevorderd stadium kan leiden tot kracht- en coördinatieverlies. Er kan pijn zijn bij het rekken van de pols strekkers (elleboog gestrekt en de hand in de richting van de handpalm bewegen.

End faq

De weergegeven teksten hebben een informatief karakter. Er kan geen enkele aansprakelijkheid worden aanvaard indien informatie uit de ziektebeeldengids aanleiding mocht geven tot enigerlei schade. Bij vragen naar aanleiding van de getoonde informatie kunt u altijd contact opnemen met uw therapeut.

De fysiotherapeut, specialist in beweging